Religie speelt een belangrijke rol in het leven van de Indiërs. De meeste zijn hindoe (82 procent) of moslim (12 procent). Verder zijn er christenen, sikhs, boeddhisten, jains, joden en aanhangers van het zoraisme en van de Baha'i.
Het hindoeïsme is een van de oudste religies ter wereld. Het heeft geen stichter en geen heilig boek. Het is vooral een manier van leven op een bouwwerk van boeken, meesters, godenvereringen, kasten en leefregels. Het woord zelf is bedacht door de islamieten die het subcontinent vanaf de 9de eeuw binnenvielen en alle heidense praktijken die ze er aantroffen, samen hebben gevat met het woord 'hind'. Dharma, karma, samsara, maya, moksha, atman en brahman zijn de centrale begrippen waarmee elke stroming binnen dit geloof kan worden omschreven. De dharma is de 'weg', de wet van het zuivere leven. Het is een morele code, die voor elke kaste aangeeft wat goed is. Karma betekent 'handeling'. Met dit begrip wordt aangegeven dat elke handeling een effect sorteert op dit leven, maar vooral ook op volgende levens. Handelt men volgens de dharma, dan verbetert het karma en de kansen voor een hogere vorm van wedergeboorte nemen toe. Het geboren zijn in een bepaalde kaste is toe te schrijven aan opgebouwd karma in vorige levens en daarmee gerechtvaardigd. Men neemt karma dus mee naar volgende levens. Samsara is de cyclus van wedergeboorten waarin alle wezens gevangen zitten als gevolg van hun karma. Door de dharma te volgen, verbetert het karma na vele levens uiteindelijk tot het punt waarop iemand beseft dat de aardse werkelijkheid maya is, een illusie. Men beseft dat er geen atman is, geen individuele ziel, geen 'ik', die de wereld ziet, maar een totale eenheid van alles, één wereldziel: brahman. Het atman was slechts een tijdelijke manifestatie van het brahman. Met die realisering is er moksha bereikt; het einde van de cyclus van wedergeboorten en het terugvloeien van de druppel atman in de oceaan van het brahman.
De godenverering is heel belangrijk in het hindoeïsme. De meeste hindoes geloven in een oppergeest Brahma, de schepper. Samen met Vishnu (de beschermer) en Shiva (de verwoester) vormen ze de drie-eenheid. Maar het hindoeïsme kent nog honderden andere goden, waarvan velen reïncarnaties zijn. Vaak staan ze ergens voor, zoals de populaire Ganesh (te herkennen aan het olifantenhoofd), de god voor wijsheid en kennis. Rama is de held uit het gedicht Ramayana en vertegenwoordigt moed en deugd. De blauwe god Krishna is ondeugend en verricht graag wonderen. De hindoes hebben geen bijbel, wel veel verschillende heilige teksten. De oudste zijn de Veda’s: vier verzamelingen lofzangen, gebeden, regels en offers en spreuken. Deze werden ongeveer 3500 jaar geleden door de Ariërs verzameld. Een ander belangrijk boekwerk is de Bhagavad Gita, universeel erkend als een juweel van India’s spirituele wijsheid.
Typerend voor het hindoeïsme is het kastensysteem, de indeling van de bevolking in een hiërarchie van overgeërfde sociale klassen. Officieel bestaat het niet meer, maar de invloed ervan op de samenleving is nog altijd groot. Alles draait om het begrip ‘zuiver’. De hogere kasten worden ritueel zuiver beschouwd, de lagere als onzuiver. Er zijn vier kasten, varnas genoemd. Bovenaan staan de brahamen. Ze zijn verantwoordelijk voor alle religieuze zaken. Hun zuiverheid verlangt dat ze geen vlees eten. Daaronder staat de kaste van de krijgers en de vroegere heersers, de kshatriyas. Het is de enige kaste die mag heersen over anderen. Na de krijgers komen de ambachts- en kooplieden, de vaishyas. Het grootste gedeelte van de bevolking valt onder de kaste van de shudras: de boeren, het voetvolk de dienaren. De laagste status hebben de kastenlozen die tegenwoordig dalits worden genoemd. Zij oefenen de onreine beroepen uit zoals rioolreiniging en lijkverbranding. De indeling in kasten is nog steeds het uitgangspunt voor veel sociale en zakelijke netwerken.Toch begint het denken in kasten te verwateren. Zuiverheid is niet langer de norm, maar geld en bezit.
Een belangrijke minderheid zijn de moslims. India is, na Indonesië en Pakistan, het land met de grootste islamitische bevolking. Er wonen meer moslims dan in welk land in het Midden-Oosten ook. Spanningen tussen hindoes en moslims zijn er altijd geweest, maar vooral op politiek vlak. Al jaren woedt er het conflict in Kashmir, waar militante moslims vechten voor afscheiding van India. De meeste moslims en hindoes willen niets te maken hebben met de politieke conflicten.
Na het hindoeïsme en de islam heeft het christendom de meeste aanhangers. Het christendom is eind vijftiende eeuw door de Portugezen naar India gebracht. De meeste christenen zijn rooms-katholiek.
India is de geboorteplaats van het boeddhisme, maar boeddhisten vormen nu een minderheid. Boeddhisten geloven niet in god. Volgens hen is het leven lijden. Ze geloven in zelfontwikkeling en de manier waarop dat gebeurt bepaalt hoe iemand in het volgende leven reïncarneert. Hoogste doel is het nirvana, de staat van verlichting waarin men beseft dat alles wat bestaat illusie is en slechts een luchtspiegeling van een ondeelbare eenheid die in zichzelf rust.
Het jainisme kent geen goden. Kernbegrippen zijn geweldloosheid en eerbied voor alle leven. Jains gebruiken geen vlees, vis, eieren, honing, bont en leer. Ze werken meestal in de handel omdat in andere beroepen vaak onbedoeld andere wezens worden gedood zoals bij het ploegen van het land. Ze dragen ook een mondkapje om te voorkomen dat er beestjes in hun mond vliegen.
Het sikhisme is in de vijftiende eeuw ontstaan als reactie op de islam en het brahamisme. Sikhs geloven in een god en de tien goeroes die het sikhisme predikten. Ze keuren het kastenstelsel af en hebben begrippen als karma en reïncarnatie van het hindoeïsme overgenomen. Sikhs mogen hun haren niet knippen. Om die reden dragen ze vaak een tulband.