Bijna negentig procent van de Birmese bevolking is boeddhist. Daarnaast zijn er nog aanhangers van het hindoeïsme, islam en christendom.
Boeddhisme bepaalt voor een groot gedeelte het dagelijkse leven van de Birmezen. Een aantal keren per dag gaan ze naar een pagode. Dat doen ze wanneer ze op weg zijn naar hun werk of naar een winkel. In de pagode, meestal voor een boeddhabeeld, mediteren, eten en vertellen ze elkaar het laatste nieuws. Iedereen, arm of rijk, helpt de bedelmonniken aan een schep rijst. Het bouwen van een pagode kan er voor zorgen dat je fouten hersteld worden en dat je als een betere persoon terug komt op de aarde. Ne Win, de oud militaire dictator, bouwde bijvoorbeeld een grote pagode tegenover de wereldberoemde Shwedagon pagode om zich te verontschuldigen voor zijn gedrag. Maar iedereen doet het naar eigen vermogen. Het plakken van een stukje bladgoud kan er voor zorgen dat je moeder bijvoorbeeld weer beter wordt. Thuis hebben de meeste boeddhisten een eigen altaar en op straat staan groepjes vrouwen die geld verzamelen voor de bouw of het opknappen van een pagode. Rijke mensen geven regelmatig geld en gewaden aan de sangha's, de boeddhistische kloosterorden.
Behalve Boeddha vereren de Birmezen ook nats: geesten. Sommige zijn goedaardig van karakter, andere kwaadaardig. Nats beschikken over bepaalde krachten. Om ervoor te zorgen dat deze niet ten nadele van een persoon worden aangewend, moeten deze geesten met bezoekjes en offers te vriend worden gehouden. Ook vraagt men hun zegen bij belangrijke gebeurtenissen. Iedere pagode heeft 37 verschillende nats. Naast deze 37 nats zijn er nog andere nats zoals nats van de berg, dorp of huis. Huisnats worden bijvoorbeeld rustig gehouden met een gedroogde kokosnoot of een bosje gedroogde pepers en knoflook. Die liggen meestal in de hoek van de kamer. En dan heeft iedereen nog een persoonlijke nat die ervoor zorgt dat je geen ziekte of ongeluk krijgt.
Bijna alle mannen nemen in hun leven voor kortere of langere tijd deel aan het kloosterleven (sangha), velen zelfs verscheidene keren. Shin puy, monnik worden, is een belangrijk moment in het leven van een Birmese man. Meestal vindt deze plechtigheid rond het tiende tot twaalfde jaar plaats. Shin pyu gaat gepaard met drie dagen durende festiviteiten, waarvoor de trotse ouders zich graag in de schulden steken. Een astroloog berekent de meest geschikte datum en al weken van tevoren worden familie en vrienden uitgenodigd om bij het gebeuren aanwezig te zijn. Hoe meer mensen er komen, hoe groter de merit (verdienste) voor de ouders van de jongen.
Op de grote dag zelf gaat de jongen in kwestie, net als Boeddha in zijn jeugd, gekleed als prins en wordt ook met koninklijk elan behandeld. Zijn voeten mogen de grond niet raken zodat hij op schouders van familieleden wordt rondgedragen steeds beschermd door een witte parasol. Gevolgd door een parade van vrienden en bekenden bezoekt hij familieleden, formeel om afscheid te nemen, tegenwoordig ook om de nodige fondsen te verwerven. Daarna gaat de stoet naar de kloostertempel waar de gasten te eten krijgen. Oudere monniken voeren een aantal inwijdingsriten uit. Dan ruilt de jongen zijn prinsengewaad in voor het monnikskleed en worden zijn hoofd en wenkbrauwen geschoren. Het haar wordt als heilig beschouwd, opgevangen in een laken en later begraven. Hiermee heeft de jongen de status van noviet gekregen. Zelfs zijn ouders moeten voor hem knielen en hem in gepaste taal aanspreken. Hij wordt voor enige tijd onderwezen in boeddhistische teksten, leert de beginselen van het mediteren en helpt mee in het huishouden van het klooster. De duur van zijn verblijf kan variëren van een week tot enkele maanden of, als hij dat wil, voor de rest van zijn leven. Een monnik kan op elk moment beslissen weer terug te keren naar het gewone leven. De meeste mannen worden voor een korte periode monnik, voordat ze gaan trouwen of naar de universiteit gaan bijvoorbeeld.
Als een man besluit om in het klooster te blijven, zal hij zich moeten houden aan 227 gedragsregels, de Vinaya, kloosterregels. Armoede, kuisheid en geweldloosheid zijn de belangrijkste richtlijnen. Een monnik bezit niets behalve een pij (de verschillende kleuren die in Birma gedragen worden hebben geen specifieke betekenis), een scheermes, naald en draad, een bedelnap, een waaier en een waterfilter (zodat hij niet onbedoeld kleine diertjes opdrinkt). Sommige monniken hebben ook slippers of sigaretten en sommige laten zich verleiden tot wereldse zaken zoals een radio of camera. Over het algemeen is het monnikschap in Myanmar echter een serieuze zaak. De monniken voorzien in hun levensonderhoud met bedelen. Iedere ochtend trekken ze er met hun bedelnap op uit. Terug in het klooster wordt het verzamelde voedsel verdeeld en opgegeten. Een gedeelte van de maaltijd wordt bewaard tot 12.00 uur, de laatste maaltijd van de dag. Daarna mag alleen water of thee gedronken worden.
Er zijn maar weinig vrouwen die in het klooster treden. Waarschijnlijk omdat vrouwen niet de status van verlichting kunnen bereiken. Ze moeten wachten totdat ze als man terug komen in een volgend bestaan.
Boeddhisten zijn de aanhangers van de leer van Siddhartha Gautama, een prins die zo'n 2500 jaar geleden in Noord-India een levensleer verkondigde, die in feite bedoeld was om het verstarde hindoeïsme van die tijd te hervormen. Hij bereikte in zijn leven de verlichting en ging de geschiedenis in als de Boeddha. Zijn levensleer zegt al dat het wel of niet bestaan van een god of goden feitelijk van ondergeschikt belang is voor de boeddhisten. In navolging van het hindoeïsme beweert Boeddha dat alles wat bestaat een eeuwige opeenvolging van ontstaan en vergaan is, waaraan in principe niets kan ontsnappen: niet de goden, niet het universum, niet de mensen. Het is hem, Boeddha, echter wel gelukt om uit dit eeuwige rad van wedergeboorten los te komen. Zijn leer is een ontsnappingsmethode naar het nirvana, een staat van tijdloze rust en eenheid met alles.
De eerste grote boeddhistische waarheid is dat alle leven lijden is. Dit lijden is het gevolg van onze begeerten. Door het opheffen van die begeerten kan men een einde maken aan het lijden. De laatste grote waarheid verwijst dan naar de manier om die verlangens op te heffen, namelijk door het bewandelen van de juiste weg. Die juiste weg bestaat uit een systeem van denken en handelen dat ervoor zorgt dat het karma van degene die hem bewandelt, verbetert. Karma is een soort optelsom van alle goede en slechte gedachten en handelingen uit dit en vorige levens; een verantwoording voor het geleefde leven. Naarmate het karma verbetert door het bewandelen van de juiste weg, reïncarneert men in reinere vormen. Tenslotte bereikt men het stadium van bodhisattva, waarin men niets anders meer verlangt dan het geluk van alle anderen. Vervolgens lost men op in het nirvana, de staat van verlichting waarin men beseft dat alles wat bestaat illusie is en slechts een luchtspiegeling van een ondeelbare eenheid die in zichzelf rust.
Na de dood van Boeddha viel de religie uiteen in twee richtingen: het mahayana-boeddhisme en het theravada-boeddhisme.
Het mahayana-boeddhisme gaat uit van de universele verlossing van alle levende wezens en wordt daarom het ‘grote voertuig’ genoemd. Deze stroming kent ‘bodhisattwa’s’, stervelingen die de verlichting al hebben bereikt, maar op aarde blijven om de mensen de juiste weg te wijzen. Het mahayana-boeddhisme heeft zich onder andere verspreid over China, Nepal, Japan, Korea en Vietnam.
Het theravada-boeddhisme komt vooral voor in Sri Lanka, Myanmar, Thailand, Cambodja, Laos, Indonesië, Maleisië en Zuid-India. Deze richting binnen het boeddhisme beperkt zich tot de individuele verlossing van de mens, zonder tussenkomst van anderen, en heet daarom het ‘kleine voertuig’. Wie zelfstandig de verlichting bereikt, wordt ‘arhat’. Deze status is echter alleen voorbehouden aan de monniken. Leken kunnen tijdens hun leven op aarde hoogstens iets toevoegen aan hun karma en herboren worden in een hogere positie. Men kan zijn karma verhogen door het doen van goede werken, zoals het geven van aalmoezen aan monniken en donaties aan tempels. Het onbaatzuchtig geven of ‘dana’ is dan ook de belangrijkste vorm van deugdzaamheid die leidt tot een goed karma.