Ongeveer 69 procent van de bevolking in Sri Lanka is boeddhist, 15 procent is hindoe (vooral tamils), 6 procent is christen en 7 procent is moslim.
Boeddhisten zijn de aanhangers van de leer van Siddhartha Gautama, een prins die zo'n 2500 jaar geleden in Noord-India een levensleer verkondigde, die in feite bedoeld was om het verstarde hindoeïsme van die tijd te hervormen. Hij bereikte in zijn leven de verlichting en ging de geschiedenis in als de boeddha. Zijn levensleer zegt al dat het wel of niet bestaan van een god of goden feitelijk van ondergeschikt belang is voor de boeddhisten. In navolging van het hindoeïsme beweert Boeddha dat alles wat bestaat een eeuwige opeenvolging van ontstaan en vergaan is, waaraan in principe niets kan ontsnappen: niet de goden, niet het universum, niet de mensen. Het is hem, Boeddha, echter wel gelukt om uit dit eeuwige rad van wedergeboorten los te komen. Zijn leer is een ontsnappingsmethode naar het nirvana, een staat van tijdloze rust en eenheid met alles.
Na de dood van Boeddha viel de religie uiteen in twee richtingen: het mahayana-boeddhisme en het theravada-boeddhisme ook wel hinayana-boeddhisme genoemd. Het mahayana-boeddhisme gaat uit van de universele verlossing van alle levende wezens en wordt daarom het ‘grote voertuig’ genoemd. Deze stroming kent ‘bodhisattwa’s’, stervelingen die de verlichting al hebben bereikt, maar op aarde blijven om de mensen de juiste weg te wijzen. Het mahayana-boeddhisme heeft zich onder andere verspreid over China, Nepal, Japan, Korea en Vietnam.
Het hinayana-boeddhisme staat ook bekend als ‘School van de Ouderen’ en komt vooral voor in Sri Lanka, Myanmar, Thailand, Cambodja, Indonesië, Maleisië en Zuid-India. Deze richting binnen het boeddhisme beperkt zich tot de individuele verlossing van de mens, zonder tussenkomst van anderen, en heet daarom het ‘kleine voertuig’. Wie zelfstandig de verlichting bereikt, wordt ‘arhat’. Deze status is echter alleen voorbehouden aan de monniken. Leken kunnen tijdens hun leven op aarde hoogstens iets toevoegen aan hun karma en herboren worden in een hogere positie. Men kan zijn karma verhogen door het doen van goede werken, zoals het geven van aalmoezen aan monniken en donaties aan tempels. Het onbaatzuchtig geven of ‘dana’ is dan ook de belangrijkste vorm van deugdzaamheid die leidt tot een goed karma.
Het pantheon van hindoegoden is bepaald indrukwekkend. Enerzijds is er sprake van één god, Brahma, een soort wereldziel buiten tijd en ruimte van waaruit alles ontstaat en waarin alles weer terugkeert. Maar die god heeft ontelbaar veel aspecten, die als individuele goden in het hindoeïsme opduiken. Brahma manifesteert zich in de wereld in de vorm van een drie-eenheid die bestaat uit Brahma, de schepper, Vishnoe, de bestendiger die vaak met een blauwe huid wordt afgebeeld en Shiva, de vernietiger. Deze drie goden, die het mannelijke element vertegenwoordigen, hebben vervolgens een vrouwelijke helft, achtereenvolgens Sarasvati, Lakshmi en Shakti. Ieder van deze zes goden en godinnen heeft vervolgens weer verscheidene verschijningsvormen, die elk onder een andere naam bestaan. Zo is Shakti, of Moeder Aarde ook Parvati, de dansende godin van de vruchtbaarheid, maar ook Kali, de duistere godin die mensenoffers vraagt en Durga, de verschrikkelijke. Elk van deze manifestaties heeft een rijdier, dat opnieuw een god is. Zo berijdt Durga een tijger, terwijl ze in haar tien handen allerlei wapens voert. Vishnoes rijdier is de Garuda, een mythologische vogel. De goden hebben kinderen. Zo zijn Shiva en Parvati gezegend met Ganesha, de god van de wijsheid met een olifantskop en een van de populairste goden van de Srilankanen, zowel van hindoes als van boeddhisten. De dikhuid onder de goden berijdt een rat. Maar de belangrijkste hindoegod op Sri Lanka is hun tweede zoon, Skanda, de oorlogsgod die in zijn vrije tijd de allerdaagse problemen en ziektes van de eilandbewoners bestrijdt en daardoor zeer vereerd wordt. Zijn belangrijkste tempel staat in Kataragama. De boeddhisten en islamieten vereren deze god ook.
Dagelijkse kleine offerandes en gebeden aan de goden brengen, is een verplicht ritueel, dat puja wordt genoemd. Ook het aanbrengen van de tikka, de meestal rode stip tussen de ogen is zo'n ritueel. Dit derde oog is bedoeld om bij voortduring ook de blik te richten op de goddelijke wereld, de wereld achter onze werkelijkheid, die niet meer is dan een verwarrende afspiegeling van de hogere werelden. De belangrijkste puja's die dagelijks in de tempels worden gehouden, vinden plaats bij zonsopgang en zonsondergang. Onder het geroffel van trommels, het rinkelen van belletjes, het geluid van blaasinstrumenten en het reciteren van de veda's wordt er een offer gebracht dat de vier elementen, lucht, aarde, water en licht vertegenwoordigt. Bij volle maan zijn de boeddhistische tempels het drukst bezocht en bij nieuwe maan die van de hindoes.