Laos
Laos heeft een oppervlakte van 236.000 km² ( 6 maal Nederland en 8 maal België) en telt ruim 6 miljoen mensen. Met 26 mensen per km² is het een dunbevolkt land (vergelijk Nederland 482, België 342). Het merendeel van de bevolking leeft in de vruchtbare valleien van de Mekongrivier en haar zijrivieren. Terwijl het buurland Thailand inmiddels een redelijk ontwikkeld land is met een goede infrastructuur en grote steden, is Laos een land waar transport voornamelijk over rivieren plaatsvindt en het merendeel van de bevolking (80 procent) in afgelegen dorpen woont die bereikbaar zijn via geitenpaadjes. Slecht eenderde van het landoppervlakte kan voor landbouw gebruikt worden. Overstromingen en perioden van droogte zorgen regelmatig voor problemen in de voedselvoorziening. Ruim de helft van de bevolking leeft van zelfvoorzienend landbouw. Laos is één van de armste landen ter wereld en van alle Zuidoost-Aziatische landen het minst ontwikkeld. Mede door de uiterst gebrekkige infrastructuur is basisgezondheidszorg in grote delen van het land grotendeels afwezig. Minder dan de helft van de bevolking heeft toegang tot veilig drinkwater. Slechts 60 procent van de kinderen volgt enige jaren lager onderwijs. Ongeveer 60 procent van de vrouwen en 77 procent van de mannen kan lezen en schrijven. Middelbaar en hoger onderwijs zijn slechts zeer beperkt beschikbaar, hetgeen grote problemen oplevert in een land dat voor verdere ontwikkeling afhankelijk is van goed opgeleid kader.
De bevolking van Laos is etnisch en linguïstisch zeer divers. De 68 etnische groepen worden afhankelijk van hun topografische locatie in drie hoofdgroepen onderscheiden: de Lao Loum, de Lao Theung (Mon-Khmer taalgroep) en de Lao Soung. Armoede, het gebrek aan overheidsvoorzieningen en mensenrechtenschendingen treffen met name de minderheden. De onderdrukking en vervolging van groepen H’mong-verzetsstrijders was in augustus 2003 aanleiding voor een veroordeling door het VN Comité voor de afschaffing van rassendiscriminatie.
De Lao Loum (Laagland-Laotianen) bevolken de lager gelegen delen van Laos en wonen met name in de Mekong-vallei. Ze vormen ongeveer de helft van de Laotiaanse bevolking. Ze kwamen vanuit het zuiden de Mekongvallei in en verdreven de daar aanwezige Lao Theung. Invloeden vanuit Cambodjaanse, Indonesische en Thaise culturen zijn nog duidelijk waar te nemen. Belangrijkste middel van bestaan is de verbouw van ‘natte’ rijst.
De Lao Theung bestaan uit de bergvolken van Chinees/Maleise afkomst en leven in Midden-Laos. Ze behoren tot de oudste inwoners van Laos en maken ongeveer een kwart van de bevolking uit. Ze vestigden zich in de Mekongvallei totdat ze door de Lao Loum uit die streek verjaagd werden en verhuisden naar hoger geleden streken van Noord- en Zuid-Laos.
De Lao Soung bestaan uit volken die oorspronkelijk afkomstig zijn uit Zuid-China, Tibet en Myanmar en pas vrij recent geëmigreerd zijn. Ze maken zo’n tien procent van de bevolking uit en leven voornamelijk in de bergen vanaf ongeveer 1000 meter. Het zijn landbouwers en ze verbouwen hoofdzakelijk droge rijst, maïs en papavers.
De H’mong vormen de grootste groep, ze komen oorspronkelijk uit Zuid-China en maken ongeveer tweederde deel uit van de hooglandbevolking. Ze verbouwen in de berggebieden voornamelijk rijst, maïs en opium. Er zijn o.a. Zwarte H’mong en Bloemen H’mong. Deze groepen spreken dezelfde taal, maar onderscheiden zich met hun kleding. De H’mong staan bekend als zilversmeden en wevers. Opvallend zijn de holle zilveren armbanden, waarvan ze er soms drie of meer dragen.
De Yao zijn in bevolkingsaantal de tweede groep in het hoogland en komen van oorsprong uit Centraal-China. De vrouwen dragen zwarte jasjes en broeken, gedecoreerd met borduurwerk en rode ‘bontachtige’ kragen, en op hun hoofd grote blauwe of zwarte tulbanden. Bij feestelijkheden dragen de Yao zilveren sieraden.
De Lahu komen van oorsprong uit Tibet en de Chinese provincie Yunnan. Zij zijn zeer bekwaam in weven en borduren. Van jonge meisjes wordt verwacht dat ze hun eigen huwelijkskleding en die van hun bruidegom maken. De mannen zijn zeer handvaardig in het maken van landbouwwerktuigen, gebruiksvoorwerpen en sieraden. De vrouwen van de Lahu dragen zwarte en rode jasjes en strakke rokken. De mannen hebben heldergroene of blauwgroene wijde broeken.
De Akha komen uit de Chinese provincie Yunnan en zijn herkenbaar aan de onafscheidelijke pijp, een puntig soort hoofdtooi en een soort jak dat over het blote lichaam wordt gedragen. De halssieraden van de Akha zijn plat en massief. Aan een halsband hangt doorgaans een grote ronde zilveren schijf; aan hun hoofdtooi dragen ze trossen zilveren munten.
De Lisu komen oorspronkelijk uit Tibet. De vrouwen dragen lange veelkleurige tunieken over hun broeken en soms zwarte tulbanden. Zware zilveren sieraden completeren het kostuum. De mannen doen qua kleding niet onder voor de vrouwen; ook hun kleren zijn veelkleurig en ook zij dragen sieraden.
Vietnam
Vietnam heeft een oppervlakte van 329.566 km² ( 8 maal Nederland en 11 maal België) en telt ongeveer 84 miljoen inwoners. Het land is een éénpartijstaat die geen scheiding der machten kent in de westerse zin van het woord. De Communistische Partij van Vietnam (CPV) is de enige toegestane partij en domineert het politieke leven. Alle hoge bestuursfuncties worden in de regel uitgeoefend door partijleden.
Vietnam hoort tot de dichtst bevolkte landen ter wereld. Ongeveer driekwart van de bevolking woont op het platteland, met name in de belangrijke rijstverbouwende streken. Zeer dicht bevolkt zijn de delta's van de Mekong en de Rode Rivier. De bergen en heuvels zijn dun bevolkt. Het merendeel (58 procent) van de bevolking is werkzaam in de landbouwsector (inclusief visserij en bosbouw). Vietnam is inmiddels de tweede rijstproducent van de wereld. De overheid voert een actief bevolkingsbeleid, waarbij tot 2003 twee kinderen de norm was. Desondanks is zo’n 60 procent van de bevolking jonger dan 25 jaar. Deze bevolkingstoename vormt vooral voor het onderwijs en de gezondheidszorg een zware belasting. Per jaar treden ruim 1,2 miljoen mensen toe tot de arbeidsmarkt. Met de toename van de bevolking, de welvaart en de internationalisering, dienen zich ook problemen aan rond drugsgebruik en HIV/Aids. De voorzieningen zoals onderwijs zijn dan relatief goed ontwikkeld; ruim 90 procent van de volwassen bevolking kan lezen en schrijven. De levensverwachting is relatief hoog, tussen 67 (mannen) en 73 (vrouwen) jaar, en 90 procent van de bevolking heeft toegang tot eerstelijns gezondheidszorg.
Het merendeel (88 procent) van de Vietnamese bevolking hoort tot de Kinh, de etnische Vietnamezen. De een miljoen Chinezen vormen een belangrijke minderheid. In het algemeen hebben de Chinezen (Hoa) gewoonten en kleding van hun vaderland in ere gehouden. Velen vestigden zich in Cholon, vier kilometer van het centrum van Ho Chi Minh City, een bloeiend handelscentrum.
De bewoners van de heuvels en bergen van Midden- en Noord-Vietnam, door de etnische Vietnamezen ‘moi’ of wilden genoemd, vormen samen de grootste minderheid van het land. Deze zogenaamde ‘Montagnards’ zijn nauw verwant aan etnische groepen in Thailand en Zuid-China. Er zijn ruim 50 bevolkingsgroepen, iedere groep heeft zijn eigen kleding, sieraden, taal en religie. Rond Sa Pa in het noorden wonen o.a. de H’mong en Yao. De situatie van de Vietnamese bergvolken heeft zich na de vroegere economische en culturele achterstelling intussen iets verbeterd. Ze mogen weer hun traditionele kleding dragen en de eigen taal spreken. Ook komen er steeds meer scholen voor minderheden, en zijn er kinderen vanuit uit de minderheden die op universiteiten gaan studeren.
Cambodja
Cambodja heeft een oppervlakte van 181.000 km² (4,5 maal Nederland, 6 maal België) en telt ruim 13 miljoen inwoners. Ongeveer 75 procent van de bevolking woont in het vruchtbare gebied tussen het Tonlé Sap-meer in het noordwesten en de regio ten zuiden van de hoofdstad Phnom Penh. Slechts 10 procent van de Cambodjanen woont in een stad. In 1970 telde de Cambodja nog maar zes tot zeven miljoen inwoners. Vanwege oorlogen en burgeroorlogen, maar vooral vanwege het schrikbewind van de Rode Khmer in de periode 1975 tot 1979, zijn meer dan één miljoen (sommigen zeggen drie miljoen) om het leven gekomen of gebracht. Door het zeer hoge geboortecijfer na 1979 is het inwonertal tot het huidige niveau opgelopen. Cambodja heeft een zeer jonge bevolking; bijna 40 procent van de bevolking is jonger dan 15 jaar en de gemiddelde leeftijdsverwachting bedraagt voor mannen 55 jaar en voor vrouwen 61 jaar. Hoewel er de laatste jaren veel verbetert is, leeft nog altijd een groot percentage onder de armoede grens. Slechts de helft van de bevolking heeft toegang tot essentiële medicijnen en 58 procent van de vrouwen en 80 procent van de mannen kan lezen en schrijven.
Cambodja heeft een vrij homogene bevolkingssamenstelling, ongeveer 90 procent van de bevolking behoort tot de Khmer. Belangrijke minderheidsgroepen vormen Chinezen, etnische Vietnamezen, Cham en diverse bergvolken.
De Khmer behoren tot de Mon-Khmer, die al sinds de 2e eeuw n.Chr. in Cambodja wonen en uit Zuid-China afkomstig zijn. De Khmer zijn onder andere stichters van het rijk van Angkor. Ze zijn vooral landbouwers. Ze kennen een systeem van wederzijdse hulp en werken samen tijdens de verbouw en oogst van de rijst. Daarbuiten zijn ze tamelijk individualistisch. Khmer staan niet bekend als ondernemers of handelaars.
Ongeveer vijf procent van de bevolking is Vietnamees. Deze boeren en vissers wonen vooral rond de hoofdstad Phnom Penh en langs de Mekong. Na het Rode Khmer-bewind vluchtten veel Vietnamezen terug naar Vietnam, maar keerden na 1979 terug. De verhouding tussen de Vietnamezen en de Khmer is slecht door cultuur- en economische verschillen. De hardwerkende, ondernemende Vietnamezen, vaak werkzaam in de visserij en in het kleinbedrijf, hebben het financieel namelijk vaak beter dan de Khmer-Cambodjanen.
Drie procent van de bevolking is Chinees. Zij zijn veel meer geïntegreerd dan de Vietnamezen en huwelijken tussen Chinezen en Cambodjanen zijn bepaald geen uitzondering. De eerste Chinezen kwamen in de 18e en 19e eeuw vanuit Zuid-China naar Cambodja en vormden al snel een belangrijke factor in de Cambodjaanse economie. De meeste Chinezen wonen in steden en werken in de handel, het bankwezen of als winkelier.
Zo’n twee procent van de bevolking hoort tot de Cham. Ze stammen af van de inwoners van Champa, een hindoerijk dat vanaf de 2e eeuw over een gebied in Vietnam regeerde. De Cham, vaak handwerkslieden, vissers en boeren, wonen vooral langs de Mekong, het meer van Tonlé Sap en langs de kust. In de 17e eeuw vermengden ze zich met moslims uit Maleisië, namen hun geloof over en worden daarom ook wel de Khmer Islam genoemd. De Cham hebben zeer te lijden gehad onder het atheïstische Rode Khmer-regime.
Tot slot zijn er de geïsoleerd levende bergvolken of ‘chunchiet’. Zij maken nog niet een procent uit van de Cambodjaanse bevolking en wonen vooral in de heuvels en op de hoogvlakten die grenzen aan de grens met Vietnam en Laos. De meeste bergvolken wonen in de provincies Ratanakiri en Mondulkiri. Men onderscheidt twaalf groepen, waarvan de grootste de Tompoun, Kuy, Jarai, Kreung, Stieng en Phong zijn. Elke groep heeft zijn eigen taal, godsdienst en cultuur, die over het algemeen sterk van de Khmer verschilt. De meeste bergvolken leven van de zwerflandbouw.