Peru heeft een oppervlakte van 1.285.216 km² (31 maal Nederland, 42 maal België) en telt ongeveer 27 miljoen inwoners. De bevolkingsdichtheid loopt sterk uiteen van streek tot streek. Bijna de helft van de bevolking leeft in de steden in het kustgebied (Costa), 35 procent in de hooglanden boven 3000 meter (Sierra) en slechts 15 procent in het tropische regenwoud (Selva). Ieder jaar trekken honderdduizenden mensen naar de stad waardoor de slums razendsnel groeien en de steden zich uitbreiden richting woestijn. De gemiddelde levensverwachting ligt op 69 jaar, dat is gemiddeld tien jaar lager dan in Nederland en België. Vooral het leven in de hooggebergten, de tropen en het zware lichamelijke werk vergen veel van het lichaam. Bijna 30 procent van de bevolking is werkzaam in de landbouw; belangrijke exportproducten zijn olie en vis.
De nakomelingen van de Inca’s noemen zich indígenos (inheemsen) of op het platteland campesinos. De aanduiding indio wordt vaak ervaren als scheldwoord. Hun christendom is in vele opzichten vermengd met elementen van de oude natuurgodsdiensten. Naar schatting bestaat 47 procent de Peruaanse bevolking uit indíginas, 32 procent uit mestiezen (een vermenging van blanken en indíginas), 12 procent uit blanken en 3 procent uit Aziatische en Afrikaanse herkomst. De meeste indianen wonen in de Andes en in het Amazone gebied terwijl blanken en mestiezen veelal aan de kust, in de grotere steden, wonen. De hooglandindianen van de bergstreken behoren voornamelijk tot de Quechua. Rond het Titicacameer wonen vooral Aymara.
Bolivia heeft een oppervlakte van 1.089.581 km² (26 maal Nederland, 35 maal België) en telt bijna 9 miljoen inwoners. Driekwart van de bevolking leeft in de steden en in de valleien van het Andesgebergte. De verstedelijking neemt in snel tempo toe. El Alto, een voorstad van La Paz, is de snelst groeiende stad van Bolivia. De gemiddelde levensverwachting is 64 jaar dat is gemiddeld vijftien jaar lager dan in Nederland en België. Vooral het leven in de hooggebergten, de tropen en het zware lichamelijke werk vergen veel van het lichaam. Bijna 45 procent van de bevolking is werkzaam in de landbouw; belangrijke exportproducten zijn aardolie, soja, sojameel en sojaolie, en zink.
Bolivia is samen met Guatemala het land met de grootste indianenmeerderheid van Zuid-Amerika. Naar schatting bestaat 56 procent van de bevolking uit indíginas (waaronder Quechua en de Aymara), 30 procent uit mestiezen (een vermenging van blanken en indíginas), 10 procent uit blanken en ongeveer 4 procent van Afrikaanse en Aziatische afkomst.
In totaal leven er ongeveer 32 indiaanse volkeren in Bolivia. De Quechua (2,5 miljoen) en de Aymara (2 miljoen) zijn het grootst in aantal. De Aymara leven rond het Titicacameer en rond La Paz. De Quechua wonen vooral in de overige gedeelten van de Andes. In de laaglanden leven veel kleine indianenstammen zoals de Baures en Moxo. De Guaraní leven in het zuiden van Bolivia. Tot de revolutie in 1952 was er in Bolivia nog een strenge rassenscheiding in bepaalde openbare gelegenheden en stadsdelen. De armoede is zowel op het platteland als in de steden onder de indíginas het grootste, hoewel de steeds groter wordende groep stedelijke indíginas (cholos) het aanzienlijk beter heeft dan de indíginas op het platteland. Mestiezen vormen vaak de middenstand en de hogere functies worden vaak door de blanken bekleed. De negers in Bolivia stammen rechtstreeks af van de slaven die eeuwen geleden uit Afrika gehaald werden. Nazaten van gevluchte Japanse immigranten na de Tweede Wereldoorlog leven voornamelijk in het departement Santa Cruz.
Chili heeft een oppervlakte van 757.000 km² (18 maal Nederland en 25 maal België) en telt bijna 16 miljoen inwoners. De laatste decennia heeft een versnelde verstedelijking plaatsgevonden, waardoor de inwoners van Chili zeer ongelijk over het land zijn verdeeld. Het merendeel van de bevolking (tweederde) leeft in het midden van het land, tussen Copiapó en Concepción, in een gebied dat slechts 18 procent van het totale landoppervlak beslaat. Als gevolg van de aanhoudende trek naar de steden woont nog slechts 15 procent van de bevolking op het platteland. Naast armoede en ongelijkheid kampt Chili met een hoge werkloosheid. Ondanks de stijging van het aantal arbeidsplaatsen in 2002, blijft de werkloosheid een groot probleem. Het officiële cijfer schommelt rond de 8,5 procent, maar er is veel verborgen werkloosheid. Het niveau van gezondheidszorg en onderwijs is in vergelijking met de meeste andere Latijns-Amerikaanse landen hoog. De gemiddelde levensverwachting is 77 jaar. Van de totale bevolking is slechts 4 procent analfabeet. Analfabetisme komt voornamelijk voor op het platteland en vrijwel niet in de grote steden.
In Chili werken vrouwen naar Zuid-Amerikaanse maatstaven veel buitenshuis. Bijna 30 procent van de beroepsbevolking bestaat uit vrouwen.
De Chileense bevolking is een mengelmoes van verschillende bevolkingsgroepen. Ongeveer 65 procent van de huidige bevolking zijn ‘mestiezen’, afstammelingen van Spaanse kolonisten en indianen. Een kwart van de bevolking bestaat uit blanken, die sinds het einde van 19e eeuw naar Chili emigreerden vanuit Frankrijk, Joegoslavië, Italië, Zwitserland, Engeland, Nederland en vooral uit Duitsland. Doordat Chili in de koloniale tijd geen grootschalige plantages had, bleef het aantal Afrikanen dat werd ingevoerd als slaven heel klein. De weinige slaven gingen geleidelijk aan geheel op in de rest van de bevolking, zodat Chili geen zwarte cultuur kent.
Ongeveer 10 procent van de totale bevolking bestaat uit inheemse volken of ‘pueblos indigenos’. Door de vele gemengde huwelijken zijn er niet veel zuivere indianenrassen meer over. In het zuiden van het land leven nog ruim 3000 Mapuche-gemeenschappen, goed voor bijna 7 procent van de totale bevolking. Zij leven vooral in kleine, traditionele gemeenschappen rond de stad Temuco. De Mapuches hebben nog steeds een eigen taal, het ‘Mapudungu’, eigen kleding, religie en tradities. De twee andere inheemse bevolkingsgroepen die hun eigen cultuur hebben weten te bewaren, zijn de Aymara en de Atacameños uit de woestijnen en hoogvlaktes van het noorden. De Aymara-indianen maken deel uit van de hooglandindianen van Chili, Peru en Bolivia. Ze leiden een nomadisch bestaan en leven afwisselend op grote hoogte in de zomer en in de dalen in de zomer. Ze leven van het verhandelen van producten van lama’s, alpaca’s en schapen. In de dalen verbouwen ze o.a. maïs, bonen, gerst, quiñoa en fruit. Ook de Atacameños leven in het noorden met als centrum San Pedro de Atacama. Ze houden lama’s en alpaca’s en bedrijven wat akkerbouw.
Ecuador heeft een oppervlakte van 256.370 km² (6 maal Nederland, 8 maal België) en telt ongeveer 13 miljoen inwoners. De bevolkingsdichtheid bedraagt 51 inwoners per km² (Peru 21, Bolivia 8) en is de hoogste van Zuid-Amerika. De meeste mensen wonen aan de kust (Costa) en in de hooglanden (Sierra). In het Amazonegebied (de Oriente), dat ongeveer 50 procent van de oppervlakte van Ecuador inneemt, woont slechts 2 tot 5 procent van de bevolking. Ongeveer 57 procent van de bevolking woont in stedelijke gebieden. Bijna 30 procent van de bevolking leeft van de landbouw. Belangrijke exportproducten zijn aardolie, olieproducten, bananen, garnalen en bloemen. Het land heeft een zeer ongelijke inkomensverdeling, en de kloof tussen arm en rijk neemt alleen maar toe. Volgens recente analyses leeft 63 procent onder de armoedegrens, een direct gevolg van de diepe economische en politieke crisis van de afgelopen jaren. Het aandeel van de indígenos (indianen) hierin is relatief hoog. Daarbij komt dat het grote aantal éénoudergezinnen op het platteland als gevolg van de nog steeds stijgende emigratie van Ecuadoranen (veelal jonge mannen) naar de VS, Spanje en Italië. Als gevolg van de armoede is er veel kinderarbeid, vooral in de bananensector.
Naar schatting 35 procent van de Ecuadoraanse bevolking bestaat uit inheemse indianen (indígenos), 45 procent uit mestiezen, 10 procent uit blanken en 10 procent is van Afrikaanse en Aziatische herkomst.
De indíginas wonen vrijwel allemaal in de hooglanden (Sierra) en het Amazonewoud (Oriente). Alleen de Cayape- en de Colorades wonen in de westelijke laagvlaktes. De indíginas zijn meestal werkzaam in de landbouw en leven daarnaast, vooral in het Amazonegebied, van de jacht. Samen met de mestiezen behoren de indíginas tot de onderste sociale lagen van de bevolking. De positie van de mestiezen hangt af van hun integratie met de blanken. De mestiezen leven vooral in de hooglanden en de kuststreek. De Afro-Ecuadoranen zijn tijdens de Spaanse overheersing als slaven uit Afrika gedeporteerd om in de mijnen en plantages te werken. De nakomelingen van deze slaven leven vooral aan de tropische noordwestkust. Daarnaast is er nog een aanzienlijke groep Chinezen die immigreerden in de periode dat de spoorwegen werden aangelegd, halverwege de 19e eeuw. Ze leven verspreid over het hele land. Aan de kust leeft nog een invloedrijke gemeenschap van Libanezen die in het begin van 20e eeuw naar Ecuador kwam. De blanken zijn veruit in de minderheid maar zijn nog steeds de machtigste bevolkingsgroep. Ze bekleden de belangrijkste economische en politieke posten.
Ecuador telt ongeveer twintig verschillende inheemse bevolkingsgroepen. Veruit de grootste groep vormen de hoogland Quichua die in de Sierra (Andesgebied) leven. De Quichua zijn weer onder te verdelen in verschillende groepen zoals de Otavaleños, de Salasacas, de Cañaris en de Saraguros die alle dezelfde taal en gebruiken hebben. Hoewel de Quichua van oudsher over een goed ontwikkeld landbouwsysteem beschikken, vertrekken velen door gebrek aan landbouwgrond naar de stad. De Otavaleños zijn in de zomer vaak te zien als muzikant in de Europese grote steden en verkopen daar ook handgemaakte kunstnijverheid. De Saraguros leefden ooit in de buurt van het Titicacameer in Peru, maar werden door de Inca's gedwongen te verhuizen naar het huidige gebied rondom de stad Saraguro. Het zijn nu voornamelijk veeboeren en van alle indianengroepen zijn ze het meest succesvol.
In het tropische regenwoud (Oriente) leven de Quichua del Oriente (grootste groep en verwant aan de hoogland Quichua), de Shuara, de Achuara, de Huaorani, de Siona-Secoya en de Cofán. De Cofán en de Siona-Secoya leven in het noordelijke deel van de Oriente. De laatste groep bestaat uit twee aparte groepen die besloten samen te gaan toen hun aantal in de loop van de 20e eeuw zeer sterk afnam. Ze gebruiken de ‘slash and burn’- techniek. Kleine stukjes regenwoud worden gekapt en daarna in brand gestoken om de struiken en het onkruid weg te krijgen. Vervolgens worden er gewassen gezaaid en na enkele jaren trekt men weer verder en begint de cyclus opnieuw. Ze leven daardoor semi-nomadisch. De Shuara en de nauw verwante Ashuara leven in het zuidelijke deel van de Oriente. Ze leven eigenlijk maar van één gewas, de zoete maniok en de laatste jaren van het houden van vee.