Iran kent tal van religieuze en nationale feestdagen. Belangrijke nationale feestdagen zijn: Dag van de Revolutie: (11 februari), Dag van de Nationalisatie van de olie in 1951 (20 maart), Nowruz, nieuwjaar (21-24 maart), Dag van de Islamitische Republiek (1 april), Sizdahbedar: de dertiende dag van het Iraanse nieuwjaar (2 april), Herdenking van de dood van Khomeini (4 juni), Herdenking van de arrestatie van Khomeini in 1963 (5 juni).
Het begin van Nowruz (letterlijk nieuwe dag), valt samen met het begin van de lente (21 maart). In Iran begint dan tevens het nieuwe jaar omdat de Perzische jaartelling begon op de eerste dag van de lente 622, het jaar dat de profeet Mohammed in Medina het religieuze en wereldlijke gezag in handen kreeg. Het feest van Nowruz dateert al uit de tijd dat Indo-Europese volkeren (de latere Meden en Perzen) zich rond 1500 voor Christus in Iran vestigden. Het feest is echter al eeuwen overgoten met een islamitisch sausje om het als traditie in stand te kunnen houden. Ook de tradities die stammen uit de tijd van het zoroastrisme vinden nog steeds plaats. Zo wordt er op de laatste dinsdag van het oude jaar nog steeds over kampvuren gesprongen, een duidelijke verwijzing naar de goddelijke aanbidding van het vuur van de zoroasters. Tijdens deze gebeurtenissen zingen de mensen tegen het vuur: Geef me jouw rode kleur, dan krijg jij mijn gele kleur. Rood symboliseert gezondheid en geluk, geel ziekte en ongeluk.
De officiële Iraanse kalender is de zonnekalender, die begint op 21 maart en 365 dagen heeft. De zonnekalender is rechtstreeks afgeleid van de oude zoroastrische kalender. Deze telt twaalf maanden, waarbij de eerste zes maanden 31 dagen hebben, de vijf volgende 30 dagen, en de laatste telt 29 of 30 dagen.
De islamitische kalender is gebaseerd op de waarneming van de maan en wijkt daarom af van de telling van de westerse, Gregoriaanse, kalender. Volgens de westerse kalender schuiven de islamitische feestdagen ieder jaar een dag of tien naar voren. De zonne- en maankalender werden in gebruik genomen in het jaar 622 n. Chr. Dit is het begin van de islamitische tijdrekening.
De grootste islamitische feesten zijn de ramadan, het suikerfeest en het offerfeest.
De ramadan (begint 11 augustus 2010) is het belangrijkste islamitische feest. Het feest duurt de hele negende maand van het islamitische jaar en is de vastenmaand. Tijdens deze periode eten, drinken en roken moslims niet tussen zonsopgang en zonsondergang. Vasten is een van de belangrijkste plichten van een moslim. Het is een beproeving van lichaam en geest en wie zich aan de vasten houdt, bewijst duivelse verleiding te kunnen weerstaan en een goede gelovige te zijn. Kinderen (tot hun puberteit), zwangere menstruerende, borstvoeding gevende vrouwen, zieken, reizigers en militairen kunnen worden vrijgesteld.
De ramadan kan leiden tot enig ongemak; veel restaurants zijn dicht; eten, drinken en roken in het openbaar wordt niet op prijs gesteld. Voor toeristen wordt wel gekookt en gezorgd. Het spreekt vanzelf dat je de mensen niet de ogen moet uitsteken door vlak voor hun neus te eten.
Het driedaagse suikerfeest, Eid al-Fitr (10 september 2010), luidt het einde van de ramadan in. Het huis wordt nog een keer gepoetst en de mensen kleden zich zo mooi mogelijk. Iedereen gaat bij elkaar op bezoek om elkaar te feliciteren met een goed volbrachte vastenperiode. Ook de armen krijgen iets extras. Met het suikerfeest begint het bedevaartsseizoen naar Mekka.
Het offerfeest, Eid al-Adha (27 november 2009), begint op de tiende dag van de laatste maand van het jaar. Ter herdenking van Abraham worden op die dag overal schapen geslacht. Abraham was immers bereid zijn zoon aan God te offeren, maar andere religieuze dagen zijn 10 moharram: Ashura, de dood van imam Hussein, de derde sji’itische imam, in 680 in Kerbala en 15 shaban: geboorte van de twaalfde imam; deze verving de jongen op het laatste moment door een schaap.